Taaloefening 1.2

Opdracht 2 – Het alfabet en cijfers

Gebruik de afbeelding van het alfabet.

  1. Oefen samen het alfabet. Let op een goede uitspraak. 
  2. Eén van jullie is A, de ander is B. 

A stelt B een vraag. B geeft antwoord en spelt het antwoord. A schrijft de letters op. Controleer of het goed gespeld is.  

Klaar? Wissel van beurt!

De vragen:

  • Wat is je voornaam?
  • Wat is je achternaam?
  • In welke plaats ben je geboren?
  • Wat is je favoriete gerecht?
  • Wat was de naam van je school vroeger?
  • Wat is je favoriete drankje?
  1. Oefen samen de cijfers. Let op een goede uitspraak. 
  2. Vertel je telefoonnummer aan elkaar. Schrijf de cijfers op. Klopt het?