Taaloefening 3.1

Taaloefening – Het lichaam 

  1. Gebruik de eerste afbeelding. Oefen de woorden van het lichaam. Let goed op de uitspraak. 
  2. Gebruik de tweede afbeelding. Oefen de woorden van het gezicht. 
  3. Gebruik de derde afbeelding. Bespreek welke woorden bij welk lichaamsdeel horen. 
  4. Klaar? Bespreek welke woorden je hebt geleerd. Herhaal deze woorden nog een keer.