Taaloefening 8.1

Lekker weertje!

Vandaag praten jullie over het weer en over vakantie.

Te makkelijk? Verzin dan moeilijke woorden en zinnen bij het onderwerp! 

  1. Bekijk de foto’s. Praat met elkaar. 

Wat zie je op de foto?

Wat vinden jullie van het weer in Nederland?

Hoe is het weer in andere landen?

Wat voor weer is het vandaag? Wat vind je van het weer vandaag?

  1. Bekijk de plaatjes en praat met elkaar. 

Wat voor weer is het op de plaatjes?

A2: Welke weer hoort bij welk seizoen?

Geef je mening over het weer. 

  1. Bekijk de plaatjes en praat met elkaar. 

Wat zie je op de plaatjes?

Welke verschillen zie je?

Welk seizoen is het op de verschillende plaatjes? 

  1. Taalriedels. 

A zegt de zinnen voor en B zegt de zinnen na. 

Dit herhaal je vijf keer. 

Je oefent vloeiend spreken. 

  1. Maak het gesprek compleet.
  1. Maak het gesprek compleet.
  1. Op vakantie. Praat met elkaar. 

Ga je deze zomer op vakantie?

Ga je wel eens in Nederland op vakantie?

Naar welke plaatsen in Nederland kan je op vakantie gaan?

Welke dingen doe je graag tijdens vakantie?

Praat over de perfecte vakantie. 

Vertel elkaar over een vakantie van vroeger.

  1. Kijk naar de foto’s. 

Wat zie je? 

Waar is het, denk je?

Wat past het beste bij jou?

  1. Kijk naar de foto. Geef antwoord op de vragen. 

Maak je eigen verhaal.