Vandaag oefenen jullie met boodschappen doen op de markt.
Je voert met elkaar een gesprek op de markt.
Eerst gaan je het voorbereiden.
- Bedenk wat je wilt eten vandaag. Welke boodschappen heb je nodig? Schrijf ze op. Hoeveel gram / kilo / liter heb je nodig?
Bespreek dit met elkaar - Bespreek bij welke kraam op de markt je deze boodschappen kunt doen. Bij de bakker / groenteboer / slager / visboer?
- Bespreek wat je zegt op de markt.
Klaar met voorbereiden? Oefen samen het gesprek op de markt. Wissel van beurt.
A = de marktkoopvrouw of marktkoopman
B = de klant
Bijvoorbeeld:
A. Goedemorgen / goedemiddag / hallo / goedendag!
B. Hallo!
A. Waarmee kan ik u helpen? / Wat mag het zijn?
B. Ik wil graag 100 gram wortelen, 5 grote uien en een kilo aardappelen.
A. Ander nog iets?
B. Nee hoor, dat was het. / Ja graag, namelijk ….
A. Dat is in totaal dan €12,50. Pinnen of contant betalen?
B. Pinnen graag / Contant graag.
A. Tot ziens! / Dag! / Fijne dag!
B. Dag!

