Gebruik de afbeelding van het alfabet.
- Oefen samen het alfabet. Let op een goede uitspraak.
- Eén van jullie is A, de ander is B.
A stelt B een vraag. B geeft antwoord en spelt het antwoord. A schrijft de letters op.
Controleer of het goed gespeld is.
Klaar? Wissel van beurt!
De vragen:
● Wat is je voornaam?
● Wat is je achternaam?
● In welke plaats ben je geboren?
● Wat is je favoriete gerecht?
● Wat was de naam van je school vroeger?
● Wat is je favoriete drankje?
- Oefen samen de cijfers. Let op een goede uitspraak.
- Vertel je telefoonnummer aan elkaar, en je geboortedatum. Schrijf de cijfers op. Klopt het?

