Vandaag oefen je voorzetsels (preposities). Bijvoorbeeld: in, op, voor en achter.
Je gebruikt de afbeeldingen en jouw eigen huis.
- Lees de woorden op de afbeelding.
De woorden zijn voorzetsels. Maak een zin bij de plaatjes.
Oefen de voorzetsels.
Bijvoorbeeld:
Het meisje zit in de doos.
- Kijk rond in je huiskamer.
Welke voorzetsels kan je oefenen? Maak samen zinnen.
Bijvoorbeeld:
Ik zit op de stoel.
De pen ligt in de lade.
(in de koelkast) De kaas ligt achter de melk.
- Maak een vraag voor je buddy.
Gebruik in je vraag een voorzetsel en een voorwerp uit jouw huis.
Je buddy geeft antwoord. Wissel van beurt!
Bijvoorbeeld:
Vraag: Staat de televisie achter de kast?
Antwoord: Nee, de televisie staat in de kast.

