Taaloefening 15.1

Taaloefening 15.1 – Praten over koetjes en kalfjes

Soms kom je iemand tegen en praat je met hem of haar.

Je voert een kort gesprekje. Je praat dan niet over serieuze dingen. 

Zo’n gesprek gaat over ‘koetjes en kalfjes’. 

1. Wat betekent ‘koetjes en kalfjes’, denk je? Kies het beste antwoord.

  1. Je hebt een gesprek over het eten, bijvoorbeeld over de kwaliteit van vlees..
  2. Je hebt een gesprek over een neutraal onderwerp, bijvoorbeeld het weer.

2. Lees de zinnen. Ik welke situaties praat je over koetjes en kalfjes? Bespreek waarom. 

  1. Je wacht samen met een collega op de bus.
  2. Je eet samen met familie. Je hebt elkaar lang niet gezien. 
  3. Je ziet je buurman in de supermarkt. 
  4. Je komt een goede vriendin tegen. Je weet dat ze problemen heeft. 
  5. Je staat samen met een collega bij de koffieautomaat. 
  6. Je staat in de lift met iemand die je niet kent. 

3. Hoe kun je gesprekken over koetjes en kalfjes beginnen? Bespreek waarom. 

  1. Heb jij het ook zo druk?
  2. Lekker weertje vandaag!
  3. Ik voel me helemaal niet lekker.
  4. Woont u hier ook in de buurt?
  5. Ik moet je iets heel erg vertellen. 
  6. Mag ik je een advies geven?
  7. Wat duurt het lang voordat de bus komt!
  8. Mooi gebouw is dit.

4. Bedenk twee verschillende reacties bij elke aangekruiste zin van oefening 3. 

Bijvoorbeeld:

“Heb jij het ook zo druk?”
“Nee, valt wel mee hoor.” / “Ja, ontzettend druk, jij ook?” 

5. Voer korte gesprekken over koetjes en kalfjes.

A begint met de gesprekken van situatie 1 en 3. 

B begint met de gesprekken van situatie 2 en 4.

Klaar? Wissel van rol. 

Situatie 1

Je loopt op de markt. Je komt een kennis tegen. Je praat met elkaar over de prijzen op de markt. 

Situatie 2

Je loopt van de bus. Je komt de buurvrouw tegen. Je praat met elkaar over het weer.

Situatie 3

Je gaat naar buiten. Je ziet dat de buurman bijna op vakantie gaat. Je praat over vakantie. 

Situatie 4

Je staat in de kantine in de rij voor de kassa.Voor je staat een collega. Je praat over het werk. 

5. Praat na, beantwoord samen de volgende vragen. 

  1. In het Nederlands zeg je ‘koetjes en kalfjes’. In het Engels zeg je “small talk”. Is er in jouw taal ook een uitdrukking voor?
  2. Waarover gaan gesprekken over koetjes en kalfjes in jouw land? Wat zijn de onderwerpen?
  3. In welke situaties voer je deze gesprekken?
  4. Waar praat je in die situaties niet over?

(oefening uit de methode Code Plus)