Taaloefening 16.1

Taaloefening 16.1 – Praten over werk / vrijwilligerswerk

Misschien heb je een baan, of doe je vrijwilligerswerk. 

Deze week gaan jullie hierover praten. 

  1. Lees eerst de routines samen hardop.

Begrijp je alle vragen?

ROUTINES

Naar iemands werk vragen

Wat voor werk doe jij?

Doe je vrijwilligerswerk?

Wat is jouw beroep?

Wat voor vrijwilligerswerk doe je?

En wat doe jij?

Werk je fulltime?

Hoeveel uur werk je per week?

Hoeveel uur doe je vrijwilligerswerk?

Wat zijn je werkzaamheden?

Ben je tevreden met je werk / vrijwilligerswerk?

Hoe is je baas?

Heb je leuke collega’s?

  1. Praten over beroepen

A: Kies één van onderstaande beroepen. Beantwoord de vragen van B. Verzin de antwoorden!

Dit zijn de beroepen:

  • verkoper
  • docent
  • arts
  • buschauffeur

B: Stel vragen over het werk van A

Dit zijn de vragen:

  • Wat zijn de werkzaamheden?
  • Wat zijn je werktijden?
  • Wat vind je van je collega’s?
  • Hoeveel uur per week werk je?

Klaar? Wissel van rol.

  1. Praten over vrijwilligerswerk

A: Kies één van onderstaande vrijwilligersfuncties. Beantwoord de vragen van B. Verzin de antwoorden!

Dit zijn de functies:

  • Je helpt met een lunch voor ouderen
  • Medewerker social media in een buurthuis
  • Je helpt een tuin opknappen

B: Stel vragen over het werk van A

Dit zijn de vragen:

  • Wat zijn de werkzaamheden?
  • Wat zijn je werktijden?
  • Hoeveel uur per week werk je?
  • Wat is leuk aan dit werk? Wat is minder leuk?

Klaar? Wissel van rol.

  1. Vertel over werk of vrijwilligerswerk

A kiest werk of vrijwilligerswerk.

Bijvoorbeeld werken als agent of helpen op de sportclub. 

B stelt vragen over het vrijwilligerswerk van A. 

Klaar? Wissel van rol. 

  1. Praat over het werk of vrijwilligerswerk dat je nu doet

A praat over het het werk / vrijwilligerswerk dat ze nu doet.

B luistert en stelt vragen. Bijvoorbeeld:

  • Wat voor werk / vrijwilligerswerk doe je nu?
  • Wat moet je precies doen?
  • Wat vind je leuk en wat vind je niet leuk?
  • Wat zijn je werktijden?
  • Hoeveel uur werk je per week?
  • Hoe zijn je collega’s?

Klaar? Wissel van rol. 

  1. Praat over het vrijwilligerswerk / werk dat je wilt gaan doen.

A praat over het werk / vrijwilligerswerk dat ze wilt gaan doen. 

B luistert en stelt vragen. Bijvoorbeeld:

  • Wat voor werk / vrijwilligerswerk wil je doen?
  • Waarom wil je dat graag doen?
  • Wat zijn je taken?
  • Wat lijkt je leuk en wat lijkt je niet leuk?
  • Wil je in een groot of klein team werken?
  • Hoeveel uur per week wil je werken?

Klaar? Wissel van rol. 

(Deze opdracht komt uit de methode Code Plus)