Taaloefening 2.1

Oefening 2.1 – Voorzetsels

Vandaag oefen je voorzetsels. Bijvoorbeeld: In, op, voor en achter.

Je gebruikt de afbeeldingen en jouw eigen huis.

  1. Lees de woorden op de afbeelding. De woorden zijn voorzetsels. Maak een zin bij de plaatjes. Oefen de voorzetsels.
  2. Kijk rond in je huiskamer. Welke voorzetsels kan je oefenen? Maak samen zinnen. 

Bijvoorbeeld: 

Ik zit op de stoel. 

De pen ligt in de lade. 

(in de koelkast) De kaas ligt achter de melk.  

  1. Maak een vraag voor je buddy. Gebruik in je vraag een voorzetsel en een voorwerp in jouw huis. Je buddy geeft antwoord. Wissel van beurt!

Bijvoorbeeld: 

Vraag: Staat de televisie achter de kast?

Antwoord: Nee, de televisie staat in de kast.