Taaloefening 4.1

Boodschappen doen op de markt

Vandaag oefen je met boodschappen doen op de markt. 

Je voert met elkaar een gesprek op de markt.

Eerst ga je het voorbereiden.

  1. Bedenk wat je wilt eten vandaag. Welke boodschappen heb je nodig? Schrijf ze op. Hoeveel gram / kilo / liter heb je nodig?

Bespreek dit met elkaar. 

  1. Bespreek bij welke kraam op de markt je deze boodschappen kunt doen. Bij de bakker / groenteboer / slager / visboer?
  2. Bespreek wat je zegt op de markt. 

Klaar met voorbereiden? Oefen samen het gesprek op de markt! Wissel van beurt. 

A = de marktkoopvrouw of marktkoopman

B = de klant

Bijvoorbeeld:

  1. Goedemorgen / goedemiddag / hallo / goedendag!
  2. Hallo!
  1. Waarmee kan ik u helpen? / Wat mag het zijn?
  2. Ik wil graag 100 gram wortelen, 5 grote uien en een kilo aardappelen. 
  1. Ander nog iets?
  2. Nee hoor, dat was het. / Ja graag, namelijk …. 
  1. Dat is in totaal dan €12,50. Pinnen of contant betalen?
  2. Pinnen graag / Contant graag. 
  1. Tot ziens! / Dag! / Fijne dag!
  2. Dag!